Een gloeilamp is een lamp van glas waarin licht geproduceerd wordt door een gloeidraad of filament. Door de gloeidraad zal bij het aansluiten van een spanning stroom gaan lopen, waardoor deze heet wordt en licht gaat uitstralen. De gloeidraad bestaat uit het materiaal wolfraam of heel vroeger (alleen in de begintijd van de gloeilamp) uit koolstof. Het glas van een gloeilamp is niet veel dikker dan een vel papier. Toch is het glas bestand tegen enige druk. Dit komt door de sterke vorm waarin het glas geblazen is.
De elektrische weerstand van de gloeidraad (afhankelijk van dikte en soort materiaal) wordt zodanig gekozen dat deze niet te heet wordt bij de aanbevolen elektrische spanning. De elektrische weerstand van een gloeidraad bestaande uit wolfraam, is in koude toestand maar een paar tot enkele tientallen ohm en wordt direct na het aansluiten van de spanning onder invloed van de ontwikkelde warmte enkele honderden tot duizenden ohm. Bij het aanschakelen van een gloeilamp ontstaat daardoor een stroompiek, wat vaak de oorzaak is van het doorbranden van de gloeidraad als deze al een dunne plek bevatte.
Dat de gloeidraad door het gloeien niet verbrandt, komt doordat in de glazen bol waarin de gloeidraad zich bevindt, geen of zeer weinig zuurstof aanwezig is, maar gevuld is met argon of een ander edelgas. In de open lucht verbrandt een gloeidraad van de gemiddelde lamp binnen een seconde na het aansluiten van de spanning. Ook in een gewoon brandende gloeilamp verdampt het materiaal van de gloeidraad heel geleidelijk door de verhitting en slaat neer op de binnenkant van de glazen ballon, die daardoor donkerder wordt.
Uitvinding
De uitvinding van de gloeilamp wordt vaak toegeschreven aan Thomas Alva Edison. Edison was echter slechts een van de velen die bijdroegen aan de ontwikkeling van een praktisch middel om met elektriciteit licht te genereren. De reeds bestaande koolstofbooglamp was ondanks het helder witte licht niet praktisch genoeg. In 1801 experimenteerde Humphry Davy al met een gloeiende platina draad, die echter onmiddellijk verbrandde. In 1854 slaagde Heinrich Göbel erin de eerste echte gloeilamp te maken. Zijn gloeilamp bestond uit een verkoolde bamboevezel in een vacuümgezogen eau-de-colognefles. Hij kon de fles vacuüm trekken door deze te vullen met kwik en hem daarna leeg te laten lopen. Door het vacuüm kon de bamboevezel niet verbranden. Göbels lamp brandde 400 uur. Edison vroeg 25 jaar later octrooi aan op een zelfde soort lamp. Göbel betwistte het patent voor de rechtbank en kreeg in 1893 zijn gelijk. Hij overleed echter in hetzelfde jaar.